Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

22 maart 2010

 

 

 

Ach, de Maan. Moest ik een schepsel zijn dat nachtmerrie’s verzon, ik zou de mensen over de Maan laten dromen. En ik zou ze laten afzien, want de Maan is geen pretje, de Maan is de hel. De eenzaamheid zou je gek maken, het aanzicht van onze blauwe planeet zou je doen smeken naar het mirakel dat we leven noemen. Zoals het geroezemoes van een lagere school tijdens speeltijd, of het gerinkel van een fietsbel, het gezang van de merel. Of het koeren van de duiven, de geur van de zee, van stoofvlees met friet. Het kletteren van biljardballen, de liefdeskreten van de onderburen. Gewoon een paar willekeurige voorbeelden. Dagdagelijkse dingen die op Aarde als doodnormaal worden beschouwd. Maar niets van dit alles op de Maan, zelfs geen zuchtje wind. Alleen meer stilte, oor-verdovende stilte.

Dit is het begin van de nachtmerrie die ik op je afstuur, gewoon het eerste deel. In het tweede deel wordt het erger, in het tweede deel stuur ik de doodsangst op je af. In het tweede deel laat ik je rennen voor je leven. Want terwijl je op de Aarde elk jaar weer geniet van dat prille lentezonnetje, ga je nu moeten vluchten voor die zon. En vluchten zul je. Als een opgejaagd wild.

Ben je bang? Gelijk heb je, je leven is in gevaar. En eigenlijk weet je het: je gaat eraan. Maar je verdringt het. Je bent wanhopig, je spartelt als een vis op het droge. De doodsangst doet je rennen, je gaat levend verbranden, je weet het, je voelt het.

Tjakkaa pffffsssssst …. Een lucifer ontbrandt…

Dáár is dat moment. En het is je eigen schuld, je vervloekt jezelf. Kijk nooit achterom als je aan het rennen bent. Stommerik. Natuurlijk liggen er stenen op de Maan. Wat had je gedacht? Zie je daar liggen, plat op je buik. Sta recht man, sta recht! Je gaat gegrild worden, je haren verschroeien, de pijn wordt ondraaglijk.

De laatste seconden. En verdorie nog aan toe, je staat recht, tegen beter weten in. Je krábbelt recht, hijgend als een astmapatiënt. Je hartslag gaat in vijfde. Je wil niet dood, je wil weg. Weg! Ren, ren! REN!!!

Even terug naar de werkelijkheid, want het is slechts een nachtmerrie, je ligt natuurlijk gewoon in bed. Hoewel je bloeddruk op dit moment veel te hoog staat en je hartslag in overdrive gaat. Zweet parelt over je aangezicht, langs je oren op het kussen. Je woelt steeds onrustiger, en je gesloten oogleden trillen onregelmatig, als de naschokken van een woeste aardbeving. De scharrel die je deze avond mee naar huis hebt genomen ligt vredig naast je, ze slaapt. Je hebt haar nog niet gewekt. Nog niet. Want de nachtmerrie is nog niet gedaan. Integendeel, het derde deel komt eraan.

Je loopt maar lijkt niet vooruit te komen, terwijl de zon je hielen likt als een loopse hyena. Je had al lang dood moeten zijn, het lijkt alsof de zon een wreed spelletje met je speelt, als een cd die blijft hangen, waardoor die laatste seconden zich steeds blijven herhalen, opnieuw en opnieuw. En je rent de ziel uit je lijf, en steeds opnieuw struikel je en kruip je terug recht. En plots krijg je een klap op je kop, bloed gutst langs je ogen, het vertroebelt je zicht. En nog een klap, én nog een klap. Pijnscheuten doorklieven je hoofd, je denkt dat je aan het verbranden bent, je denkt dat de hitte je openspiest. Maar je hebt het mis! Het is niet de zon, het is erger, pas als ze naast je inslaan zie je het: meteorieten. De ene na de andere.

Explosies van stof zandstralen je gezicht, de grond onder je voeten rijt open, kraters ploffen in golven uiteen, metersdiep. Je springt erover, je zigzagt verder, zo goed als mogelijk, maar het vertraagt je, en het is onvermijdelijk: de zon haalt je in. En plots vatten je schoenen vuur, en weer wordt er aan die voorsprong genipt. Nog slechts een seconde, een pietluttige seconde. En pas nú besef je het, pas nu dringt het echt tot je door: vluchten heeft geen zin. Je bent eraan, je gaat kapot, hier, op die stomme maan. Je gaat verbranden, je rent nog steeds, maar het ademen heeft plaatsgemaakt voor gillen. Je gilt als een speenvarken, je huilt de zíel uit je lijf, je roept naar je moeder en smeekt God om genade, ook al heb je nooit in die man geloofd.

En plots komt de Aarde dichterbij, als een ballon die opgeblazen wordt. Even is er weer hoop, maar het blauw van de Aarde is verdwenen. Bliksems schieten over het oppervlak, grijze wolken slaan als kolken om zich heen. Lava pruttelt onder het wolkendek, geesteszieke vulkanen ejaculeren slierten lava tot ver in het heelal.

De sterren verdampen. Je ziet het machteloos aan, vol afgrijzen. Een botsing is onvermijdelijk, de Aarde sprint aan een duizelingwekkende snelheid naar je toe. Het is de ramkoers van een zelfmoordplaneet die als Batman komt aangevlogen.

In een reflex steek je je handen voor je uit. Je stopt met rennen en deinst terug, je verwacht elk moment door de Aarde verpletterd te worden.

Maar het is een fatale fout jongen, de twijfel doet die laatste seconde voorsprong verdwijnen. De zon grijpt je, het is te laat, het is te laat! En op hetzelfde moment springt de lava gulzig naar je toe, als de tong van een kikker, de gifbeet van een spin. Je voelt je vel wegbranden, maar je ziet niets meer. Je ogen zijn uit je kassen gesprongen, je vingers smelten, je lippen scheuren open, je tanden brokkelen af.

Je gilt het uit, je stem slaat over. En plots zit je rechtop in bed. De vrouw naast je schiet wakker, ze kijkt slaapdronken over haar schouder, een borst half ontbloot. Ze ziet je zitten, met je haar op half zeven, je gezicht kletsnat. Je gebalde vuisten knijpen het laken tot moes, je pyjamavest hangt open, een knop is afgebroken. Je onderlip trilt en hangt als een afdak boven een met kwijl bedekte kin, terwijl snot uit je neus loopt. Je bent in shock, en je kijkt haar aan, met verweesde ogen die dwars door haar heen kijken. Een psychotische angst vult de slaapkamer.

Geschrokken krimpt ze ineen. Wie is dat naar zweet stinkende wrak dat haar als een gevaarlijke gek aankijkt? Ze wil gillen, en vol ongeloof kijkt ze je aan. Haar mond gaat open, maar er komt geen klank uit.

Tot ze de zuigplek in je hals ziet, en plots herinnert ze zich alles: het geklungel in bed, het orgasme dat maar niet wilde komen. Waarom was ze niet meteen naar huis gegaan, waarom gaf ze na lang aandringen toe te blijven slapen? De angst vermengt zich met woede, en haar pupillen vernauwen zich met de snelheid van de hel. De haat wordt in het gezicht gestrooid.

Zoekend naar een hard voorwerp wil ze je vol in het gezicht slaan, waarop ze als een Italiaanse furie in scherp staccato brult:  

‘Getverdemme man!’

Het volgende moment voel je een klap in je gezicht, waarop je vol achterover uit bed tuimelt en het nachtkastje je nek kraakt. En plots heb je het ijskoud, je lijkt te bevriezen. Het is pikdonker, en je kan het amper geloven, maar je ligt vastgeketend in het midden van een kilometersbrede krater, waarvan de wanden stijl naar boven lopen. Aan de horizon zie je de hemel lichter worden. De zon* komt op.

 

Begin verslag

 

Vorig verslag / volgend verslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

_________